Ter kerke en verkering

In het protestantse gezin waarin ik opgroeide was op zondag ter kerke gaan – in ons geval de Bethlehemkerk aan het Zwanenplein – een net zo normale gewoonte als handen wassen na toiletbezoek, voeten vegen bij de voordeur of je vork naar je mond brengen en niet je mond naar je vork. Je hoorde wel eens middeleeuws aandoende verhalen over streng-christelijke gezinnen waarin op zondagen twee keer kerkgang werd afgedwongen om te voorkomen dat het hellevuur je later te grazen nam.

Kerk en gezin waren bij ons nauw verbonden, maar meer als vorm van sociale cohesie dan als garantie voor de hemel. Mijn vader – diaken van de Bethlehemkerk en iets in de Amsterdamse kerkenraad – was dus goed op de hoogte van het kerkelijk leven in de stad. Tot mijn schande, bleek later.

Het enige verschil met genoemde voorbeelden van normaliteit was dat je op zekere leeftijd vragen gaat stellen: waarom ter kerke? Waarom geloven? En waarin? Tussen ingeslepen gewoonte, vragen stellen en antwoorden vinden liggen eeuwen van nadenken, twijfelen, zeker weten en af en toe en verhelderend gesprek met deze of gene die dezelfde sluiproute aflegt.

En dan waren er de praktische bezwaren. Ter kerke gaan betekende ook: op zondag op tijd je bed uit. Als puber met puberslaap is dat niet minder dan een existentiële ramp. Mijn standaardreactie op de roep: ‘Opstaan, we gaan naar de kerk!’ werd op een gegeven moment: ‘Ik ga vanavond wel naar de Westerkerk.’ En ik draaide me nog eens om. Dat vonden mijn ouders goed, de Westerkerk kon ermee door.

Deze gang van zaken werd min of meer gewoonte totdat de liefde in het spel kwam. Het gevolg was dat ik de kerkgang naar de Westerkerk inruilde voor andere gewoontes, namelijk met de tram naar mijn verkering in Slotermeer, de Westerkerk voorbij. De Westerkerk als alibi. Ik kan geen aantal noemen, maar de keren dat ik de naam van die kerk misbruikt heb om naar mijn verkering te gaan zijn legio.

Op een keer na weer zo’n ‘kerkgang’ naar Slotermeer in plaats van de Westerkerk stelde mijn vader niet de vraag naar de inhoud van de preek (‘Dominee had het over de zonde en hij was ertegen…’), maar een andere. Welke dominee preekte er, was zijn vraag? Ik: ‘Eh … dominee Visser.’ Ik herinner me nog het gezicht van mijn vader, een duizendingen-gezicht, met teleurstelling, boosheid, afgrijzen, medelijden, en nog zo veel meer. Zijn eenvoudige antwoord luidde: ‘Nee, jongen, ik weet dat dominee Visser ziek was en dat een andere dominee voor hem waarnam.’

Dick de Scally


© 2025 Dick de Scally. Op deze publicatie berust auteursrecht.

Een column van Dick de Scally
Dick schrijft zijn columns geheel op eigen titel.

Overzicht van Dick zijn columns.


Gerelateerd: Rondom Volewijck en Tolhuis — Historisch Centrum Amsterdam Noord


Amsterdam Noord