Ooit wel eens van Valentia Island gehoord? Vast niet. Dat is ook niet zo verwonderlijk. Want het is het meest westelijke stukje van Europa en ligt ongeveer aan het einde van de wereld. En het is een aardig stukje fietsen. Vier weken, om precies te zijn.
We schrijven 1994. Ik woon nog niet in Noord, maar in de Staatsliedenbuurt (het huidige Westerpark). Twee hoog. Om weg te fietsen moet ik dus eerst mijn toerfiets twee trappen naar beneden sjouwen en op straat goed op slot zetten. Want de buurt is niet enkel het domein van krakers, maar ook van stelende junks. Daarna mijn fietstassen en de rest halen.
De eerste etappe is naar Hoek van Holland, meteen een forse inspanning. Maar ja, ik ben nog jong en heb het windje mee. De volgende dag neem ik de veerboot naar Harwich en fiets ik vervolgens in 8 dagen van Oost- naar West-Engeland en daal ik af naar het zuiden van Wales.
Daar vertrekt vanuit de haven van Swansea ’s nachts een veerboot naar Cork in Zuid-Ierland. Aan boord ontmoet ik vier Ierse broers en zussen en we maken er een gezellige boel van met bier en zij kennen allerlei liedjes uit hun hoofd. Ik bedenk dat dit wel een hele mooie manier is om naar het eiland te varen.
Vanuit Cork fiets ik eerst naar vrienden, die een jaar eerder naar Ierland zijn verhuisd en in een tipi wonen. Ik blijf er een week en daarna ga ik verder naar het westen en bezoek ik de verschillende schiereilanden. Je hebt de beroemde Ring of Kerry, het minder bezochte Ring of Beara en de landtong met het stadje Dingle (met als attractie een heuse dolfijn in zijn wateren). Het is nog steeds 1994, dus Ierland is nog niet zo toeristisch. Vaak ben ik de enige persoon in de wijde omtrek.
Aan de einde van het schiereiland bij Dingle bevindt zich Valencia Island. Op een gegeven moment zie ik het in de verte liggen. Maar hoe er te komen? Ik vraag het aan een boer die op zijn erf staat. Hij vertelt dat ik nog ongeveer 10 kilometer verder moet fietsen voor het veer naar het eiland. Op een gegeven moment krabt hij zich achter zijn oren en zegt: ‘Weet je wat, ik breng je wel.’
We lopen naar de zee, waar de boer een boot heeft liggen. Het is een grote roeiboot met motor. We tillen mijn fiets in de boot en stappen zelf ook in. Wat een luxe om zo te worden gebracht, ik voel me helemaal toppie. Als we arriveren en ik hem wat geld wil geven, weigert hij dat met een grote glimlach.
De eerste uren op het eiland zijn frustrerend. Ik probeer een afgelegen plek te vinden om wild te kamperen, maar alle geschikte plaatsen zijn met prikkeldraad afgezet. En ik wil geen geld spenderen aan de jeugdherberg. Uiteindelijk vind ik een pad dat naar het kerkhof leidt en daar zet ik mijn tent op.
Die nacht ben ik in een droom weer met de boer onderweg in zijn boot. Maar als ik naar voren kijk, zie ik geen eiland liggen, maar de open zee. Ik vraag de boer hoe dit kan. Hij glimlacht en zegt: ‘Wist je het dan niet? Dit is het pontje naar het einde van de wereld.’
Ruud van Dijk
Overzicht “Alle Pontjesverhalen“
Reageren? Stuur uw e-mail naar Ruud van Dijk
Op de hoogte blijven van toekomstige pontjesverhalen?
Schrijf u dan in op de nieuwsbrief

